
← Baptistengemeente Tiel Podcast12 dec 2025 · 49 min
Israel en de gemeente
De preek van Martien gaat over de verhouding tussen Israël en de gemeente, en over hoe God trouw blijft aan zijn verbond met het Joodse volk, terwijl wij als gelovigen uit de heidenen daarin mogen worden ingesloten. Hij begint persoonlijk: december is voor hem een moeilijke maand vanwege het overlijden van Stik, maar hij is dankbaar om in de gemeente te zijn, te zien wat God doet en te horen dat er gevast wordt voor Tiel. Vervolgens raakt hij kort de gebeurtenissen van 7 oktober 2023 aan: de brute aanvallen op Israël en het onbegrip dat Israël daarna zó veel kritiek krijgt. Hij noemt een boek over misverstanden rond Israël en antisemitisme, maar benadrukt vooral dat uiteindelijk niet de actuele analyses het belangrijkst zijn, maar wat de Bijbel zegt.
Hij schetst vervolgens hoe de kerk door de eeuwen heen mede verantwoordelijk is geweest voor vijandigheid tegenover Israël. Al aan het einde van de eerste en het begin van de tweede eeuw ontstond de vervangingsleer: het idee dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Die gedachte heeft volgens hem een enorme voedingsbodem gegeven voor antisemitisme, met als dieptepunt de Shoa, de Holocaust. Pas ná de Holocaust begonnen veel christenen te beseffen dat er iets grondig mis was in hun theologie over Israël. Toch zijn er nog steeds kerken die leren dat de kerk Israël heeft vervangen – en dat is volgens Martien onbijbels, want het zou betekenen dat God zijn verbond verbroken heeft en dus onbetrouwbaar zou zijn.
Daarom gaat hij terug naar het begin: het verbond met Abraham. In Genesis 12, 15 en 17 sluit God een verbond dat hij steeds opnieuw bevestigt, bij Isaac, Jacob en Mozes. Het is een eeuwig verbond, gebaseerd op Gods onveranderlijk karakter: als Hij ja zegt, is het ja. Dit verbond vormt de rode draad van Gods plan met de schepping. Uiteindelijk mondt dit uit in de komst van de Messias: Yeshua, een Joodse man, geboren in een Joods gezin in Israël, het land dat God bestemd heeft voor het Joodse volk. Martien benadrukt dat Jezus allereerst de Joodse Messias is en dat wij het Nieuwe Testament vaak met “christelijke ogen” lezen, terwijl we eigenlijk met Joodse ogen zouden moeten leren kijken om echt te begrijpen wat er gebeurt.
Een sleutelmoment is de Pesachmaaltijd, het laatste avondmaal. Daar stelt Jezus het nieuwe verbond in met brood en beker. Martien benadrukt dat dit nieuwe verbond op dat moment niet met “de kerk” of met heiden-christenen wordt gesloten, maar met Joden: met zijn Joodse discipelen, als vertegenwoordigers van het Joodse volk. Dat is tegelijk de vervulling van de profetie uit Jeremia 31, waar God belooft een nieuw verbond te sluiten met het huis van Israël en Juda, zijn wet in hun hart te schrijven en hun zonden niet meer te gedenken. Martien onderstreept dat de Bijbel één geheel is: eerste en tweede testament horen bij elkaar. Je kunt het Nieuwe Testament niet goed begrijpen zonder het Oude; wie alleen het Nieuwe uitdeelt, geeft “nog niet eens de helft van de Bijbel.”
Daarna laat hij zien hoe het heil zich verbreedt van het Joodse volk naar de volken. Jezus lijdt en sterft niet alleen voor de zonden van Israël, maar voor de hele wereld – de mensenwereld. In Handelingen zie je eerst veel Joden tot geloof komen in hun Messias, daarna ook heidenen, met Cornelius als bekend voorbeeld. Voor Petrus is het een schok wanneer hij ziet dat de Heilige Geest óók op niet-joden wordt uitgestort. De vraag ontstaat: moeten heidenen eerst Jood worden? Het apostelconvent komt tot de conclusie dat heidenen niet besneden hoeven te worden en niet volledig onder de Joodse wet hoeven te leven. Er zijn wel enkele basisafspraken, maar ze worden als heiden-gelovigen opgenomen in het nieuwe verbond.
Martien staat stil bij de naam “christenen”, die voor het eerst in Antiochië wordt gebruikt en niet door gelovigen zelf, maar door buitenstaanders. “Christos” is eenvoudigweg de Griekse vertaling van “Messias”. Eigenlijk, zegt hij, zijn wij messiaanse gelovigen: geen Joden, maa